Minutieus verslag van de Ink Bomb European Pre-Lockdown Tour 2021

Compleet tourschema:

  • 13 november, The Basement Kopenhagen
  • Dat was het
Credits: Owlpuke Photo

Een normale band zou het niet in zijn kop halen om een uitgebreid toerverslag te schrijven over een enkel optreden in het buitenland. Maar omdat het ons eerste, en waarschijnlijk laatste buitenlandse optreden van 2021 en 2022 zou zijn, was ons concert in The Basement in Kopenhagen, Denemarken, erg speciaal. Daarom verzonnen we een gepaste naam: de Ink Bomb European Pre-Lockdown Tour.

We vertrokken om half acht ’s ochtends bij Paul. Toen Quirijn tien minuten voor half acht bij hem aanbelde, was Paul spiernaakt en moest hij nog onder de douche stappen. “Fijn dat je ook al klaar bent om te gaan”, sneerde Quirijn. “Ik dacht dat we half acht hadden gezegd! Het is nu nog zeven voor half”, wierp Paul tegen, terwijl Quirijn Pauls tachtig euro kostende basgitaar ter hand nam en rappe punkloopjes begon te spelen. Paul had verwacht dat hij zich die ochtend net als vroeger als hij op schoolreisje ging zou voelen: helemaal door het dolle heen. Maar helaas voelde hij zich sloom en hing er een zware deken van verdoemenis over zijn gemoed. Een paar koude happen uit de pan met eten van gisterenavond, een slok koffie en een douche hielpen hem over dit vreselijke moment heen. Tijd om de dag aan te gaan.

Het was zaterdag 13 november. Geen vrijdag de 13e, dus qua occulte tegenwerking zaten we goed. Paul had het nog het gemakkelijkst die ochtend: immers woonde hij op het verzamelpunt. Joost moest van vier straten verderop komen, Quirijn met de auto vanuit Elst, maar onze Arina moest helemaal per fiets van ‘de Hatertse toendra’ naar de Hezelpoort komen (waar Paul woonde, een afstand van ruim 6 km), met een kledingtas, slaapzak, etenstas en de bas op haar zweetrug, terwijl de plensbuien haar om de oren vlogen. “Het ruikt hier naar koffie en Paul”, zei Arina, nadat ze eindelijk gearriveerd was. “Het ruikt naar Paul?” vroeg Paul. “Dat kan niet goed zijn.” Hij dacht aan zijn dekbed, dat hij ongeveer tien maanden niet had ververst en dat veel van zijn ontgiftende zweetpartijen had opgevangen. De kans was groot dat het in sterke mate bijdroeg aan de algehele geur in zijn kleine appartement. Een woning waar hij verder blij mee was. Behalve dat elke persoon die in zijn appartementencomplex woonde een hopeloos verloren ziel was en prostituees soms klanten klaarmaakten over het zadel van zijn voor de deur geparkeerde fiets was het mooi wonen, met zelfs een uitzicht op zijn geliefde rivier de Waal.

Toen we Nijmegen uit reden, uitte Joost zijn ongenoegen over dat hij tijdens de wandeling naar Paul een paraplu had moeten opsteken. Nadat Arina Joosts geklaag een ogenblik had aangehoord, stelde ze een medelijden-top 3 op. “Ik heb het meeste medelijden met mezelf”, begon ze. “Dan met Quirijn want die komt helemaal uit Elst en rijdt. Op de derde plek komt Paul.” “En ik?” vroeg Joost. “Waarom sta ik er niet eens in?” Arina, lachend: “Omdat je zo aan het nuilen bent.”

De Ink Bomb European Pre-Lockdown Tour Playlist

We hadden een speciale playlist gemaakt in Spotify, genaamd de Ink Bomb European Pre-Lockdown Tour Playlist. Meer dan zestig procent van de nummers was door Paul toegevoegd, wat een spelelement in de playlist bracht: wat wordt het volgende nummer? Ondanks de Paulzwaarte van de playlist kwam er af en toe ook een Arina- of Quirijnheavy uurtje voorbij. “Hm, dit uurtje is erg Paul-luw”, merkte Arina dan op. Die arme Joost had slechts een stuk of tien Screeching Weasel-nummers en aanverwante shit toegevoegd dus kwam hij in de tien uur tellende playlist nauwelijks aan bod.

Een van de keiharde vuistregels van de playlist was dat we elk nummer geheel moesten uitzitten en nergens mochten skippen. Soms was dat niet makkelijk, zeker niet bij Quirijns meer dan tien minuten durende live-versie van een of ander Nina Simone-nummer. “Hoe lang nog?” vroeg Arina, naar de timer van Spotify kijkend. Ze had de attentiespanne van een kolibrie, wat haar heel geschikt maakt voor een punkband, maar ongeschikt voor al het andere. “Nou, er moet eerst nog een stuk ritmisch geklapt worden”, zei Quirijn. “Daarna nog een paar solo’s van vier minuten per instrument en een uitgesmeerde outro en we zijn klaar.”

Arina doet de kikkeroefening voor een zodanig ongeïnteresseerde Quirijn, dat ze de slappe lach krijgt.

Terwijl we via de Veluwse dennenbossen naar het oosten van ons land scheurden, vlogen de showafzeggingen ons om de oren, omdat er weer nieuwe covidmaatregelen waren aangekondigd. Arina tekende daarom een emoji met een enkele traan in Pauls vakantieschriftje. We werden er weer aan herinnerd dat er zich een snel veranderende, rare wereld buiten onze knusse auto bevond. Maar het was belangrijk om ons te focussen wat we wel hadden: elkaar, en ons optreden die avond in The Basement in Kopenhagen. Weinig andere bands hadden überhaupt optredens in dit beklemmende tijdperk dus we mochten eigenlijk van geluk spreken.

Tijdens de rit waren er nog andere figuurlijke beren op de weg. Een van die wegberen was het raamhendeltje dat steeds in de zijkant van Pauls knie drukte, precies op het zachte weefsel tussen knieschijf en de rest van de botten in de knie. “Dat hendeltje is mijn aartsvijand”, zei Paul tegen de naast hem gezeten Arina. “Oh nee”, nam Arina Paul in de zeik. “Als Paul vanavond de tempo’s nou nog maar kan halen!!” “Nou Arina”, zei Paul. “Je kunt schertsen, maar eerlijk gezegd maak ik me daar wel een beetje zorgen over.” Paul  verveelde zijn bandgenoten doorgaans stierlijk met zijn geweeklaag over ‘de tempo’s’. De keerzijde was dat hij tijdens optredens door de adrenaline de tempo’s soms juist zo goed haalde, dat hij elk nummer dertig bpm te snel drumde. “Je hoeft vanavond niet snel te drummen. Drum gewoon langzaam”, zei Quirijn daarom.

Kwaadaardige megacorporatie

We passeerden Hamburg en kwamen op een route door het zuidelijkste, Duitse deel van de lange penis die Jutland heet en de Noord- van de Oostzee scheidt. Hier leek er geen einde te komen aan de vermeldingen dat Rendsburg en Flensburg en meer van dat soort rijmende plaatsnamen in het verschiet lagen. “Rechtdoor voor de richting Flensburg, Rendsburg, Pensburg en Blablaburg”, bauwde Quirijn de plaatsnamen na. Je zou zeggen dat je boven Hamburg op een gegeven moment wel in Denemarken bent maar de afstand is verraderlijk. Vooral als je verkeerd rijdt. De kwaadaardige megacorporatie Google stuurde ons namelijk keer op keer naar de veerpont in Lübeck in plaats van de weg over land via Flensburg. Die pont kost poen en zorgt bovendien voor een vervelende grenscontrole aan Deense zijde. Dus probeerden we van Lübeck naar Kiel te rijden, maar helaas werden we alleen over landweggetjes gestuurd. Wel door een landschap met, zoals Paul het noemt, ‘glooiingen’. Paul, wetenswaardigheden strooiend: “Dit is de Holsteinische Schweiz. Hoewel het Zwitserland noemen wel wat overdreven is. Het zijn net zulke stuwwallen als in Groesbeek.” Maar glooien deed het en dat stemde Paul, een glooiingsconnaisseur, tevreden. Het was een laat herfstlandschap met veel geel blad, bossen en hier en daar leidde het golvende landweggetje door een dorpje. Maar genieten deden we niet echt. Je wordt er agressief van als de routeplanner je over allerlei toeristische routes stuurt terwijl je het zonder routeplanner zelf prima had kunnen vinden. Waarschijnlijk had Big Veerpont Google in zijn zak. Of andersom.

Arina staart naar de einder. Ze wacht al jaren vergeefs op het moment dat haar geliefde weer terugkeert van zee.

De grensovergang

Eindelijk naderden we de Deense grens. We zagen de borden al verschijnen: 80 km – 50 km – 30 km – weghelft afgezet. Ja hoor, we kregen een ouderwetse grenscontrole. De oude Paul zou de schrik om het hart geslagen hebben. Midden op de weg stond een douanier die de selectie maakte. De auto voor ons mocht doorrijden. Wij moesten rechtsaf slaan, de controlefuik in. “Nou Arina”, grapte Quirijn. “Waarom moest je zo nodig al die plakken wiet meenemen?”

“Geef me mijn paspoort!” schreeuwde Paul naar de achterbank. Een jonge douanier stond ons te woord nadat Paul het raampje open had gedraaid. “Passports please”, zei hij. Paul gaf zijn eigen paspoort en die van Arina en Quirijn. Joost was bezig met zijn Nintendo Switch. “Joost, je paspoort!” beet Paul hem toe. “Wat? Oh, paspoort? Even kijken.” Alsof ie alle tijd van de wereld had, rommelde Joost traagweg in zijn spullen. “Hier.”

De douanier bekeek de documenten zorgvuldig en vroeg uiteindelijk:  “What are you going to do in Denmark?”

“We are a band”, antwoordde Paul. “Tonight we play in Kopenhagen.”

Hij keek Paul even aan en wierp toen zijn blik op Joost, die alweer met iets anders bezig was. “Okay, you can go.”

Het was alsof de zwaar betrokken lucht een paar tinten lichter was geworden. Terwijl hij de auto uit de controlesluis manoeuvreerde, keuvelde Paul onbezorgd: “Man, drugs de grens over brengen gaat makkelijk met jullie in de auto. Jullie zien er zo braaf uit. En vooral Joost is zo niet-zenuwachtig, dat hij zelfs niet eens in de gaten heeft dat er naar zijn paspoort wordt gevraagd. Het beste is als je medepassagiers nergens van op de hoogte zijn.” Paul keek zijn bandgenoten aan. “Niet dat ik iets bij me heb, natuurlijk!”

Er staat echt SEXX op dit nummerbord.

Maar alras begon het luchtruim weer te betrekken. Zodanig dat het leek alsof de zon al om kwart over drie ’s middags onderging. We reden onder dit onherbergzame zwerk, waar al snel de meest druilerige rotregen uit nederdaalde, door het zachtglooiende Deense landschap. Paul had al tijden geen auto meer en was het rijden dus ietwat verleerd. Op zich ging het goed, hij had geen ‘schachtvrees’ zoals de vorige keer toen hij vanuit het niets in het drukke centrum van Hamburg moest gaan rijden, maar hij stuiterde wel geregeld van de ene buitenlijn naar de andere, wat hem met razend gerommel weer bij de les bracht. “Wel binnen de lijntjes kleuren”, zei Quirijn. “Dat kan ik eigenlijk niet met mijn geweten in het reine brengen, Quirijn”, zei de integere Paul. “Ik ben het mezelf verschuldigd dat ik als een debiel rijd.” Op een gegeven moment werd het wat al te dol met de tegen de slaap vechtende Paul dus nam de verantwoordelijke nestor en vader van de band, Quirijn, tevens jongste bandlid, het op zich om laatste stukje weer te rijden.

Toen we Kopenhagen naderden was het pikdonker en las Joost de tekst van ‘Meisjes van Dertien’ van de chansonnier en viezige meisjes-van-dertien-liefhebber Paul van Vliet integraal voor aan zijn medepassagiers. Dat langdurig voorlezen vanaf zijn telefoon is iets wat Joost graag – ongevraagd – doet. Maar toen hij aan zijn stemoefeningen begon beseften we dat we straks toch echt dat podium op moesten. “Ontspannen jongens”, zei Joost tegen ons. “Prima”, zei Paul. “Als je één spier voorlopig maar niet ontspant, Joost.” “Dat is geen spier”, zei Joost. “Dat is een bloedvat.” “Nee Joost, ik heb het niet over de penus”,  zei Paul. “Trouwens, dat is ook spierweefsel. Glad spierweefsel.” Hij sprak verder, tegen niemand in het bijzonder: “Gek trouwens. Je anus staat de hele dag – hrrrmmm! – te flexen als een bodybuilder. Hoe houdt-ie het vol?” “Niet gek dat je op latere leeftijd incontinent wordt”, vond Arina. “Zou het mogelijk zijn”, vervolgde Paul. “Dat je door training echt enorme biceps op je anus ontwikkelt?”

Rond een uur of zeven arriveerden we in het pikdonker bij The Basement. We zeulden met onze spullen langs een lange rij van hipsters die voor een concurrerende show in de club ernaast in de rij stonden. De rij eindigde om de hoek, precies bij de ingangspoort naar de venue. Op het buitenplaatsje voor de zaal ontmoetten we onze vrienden van Wayl die vanavond hun tienjarige jubileum vierden: Sonni, Peter en Christian, die aan anderhalvemetergedoe geen boodschap hadden en onze moegereisde lijven hartelijk omhelsden.

Quirijn toont zijn custom-made Ink Bomb-plectrum.

QR!

Het optreden liep lekker, met een publiek dat enthousiaster was dan we in Nederland gewend zijn. Paul haalde ‘de tempo’s’ riant en bleef – zeker na het adten van drie paniekbiertjes heel aardig in buurt van de bpm’s op onze platen. Arina had wat moeite met haar achilleshiel Dorothy en begon het verraderlijke basloopje doodleuk een keertje opnieuw. “Is m’n bas niet vals?” riep Arina vertwijfeld naar Paul. “Nee gek, gewoon doorspelen!” Maar in plaats van dat het ons als amateurs wegzette, riep Arina’s intermezzo juist volop vertedering op. Ook Joost zat, zoals Quirijn het noemt, ‘lekker in de wedstrijd’. Een punt van kritiek was wel dat Joost een slobbershirt aan had, omdat-ie van de weersomstuit vergeten was zijn popsterrenkostuum aan te doen en gewoon in zijn kreukelige reiskleren het podium was opgestapt. Zonder zijn stijlverzorgster was deze jongen nergens.

Met zijn allen bij het jubilerende Wayl op het podium. Paul verliest hier straks zijn evenwicht, waardoor hij eerst bijna Christian (de gitarist) van het podium duwt en vervolgens bijna in Sonni’s drumstel valt. Credits: Owlpuke Photo

Na ons optreden gingen we volop aan het bier, omdat Quirijn ons eraan herinnerde dat dit waarschijnlijk de laatste show zou zijn in lange, lange tijd. In de zaal, die steeds voller werd, leek het gecovid dat ons al bijna twee jaar in de greep had totaal niet aan de orde te zijn: iedereen stond gezellig dicht tegen elkaar aan. Toen een van de bands een kort stukje speelde dat in de verte iets weg had van een ballad, pakte Paul Peter van Wayl beet en bracht hij diens bebaarde smoelwerk naar zijn eigen mond maar zag er toch op het laatste moment van af. Arina keek afgunstig naar deze bijna-uiting van tederheid. Ze had gehoopt dat haar crush, een Deen met lang haar en een al te sympathieke en hartelijke omgang, er ook zou zijn. Maar helaas!

Maar hoezeer we als vanouds aan het feesten waren, er waren toch dingen die anders waren dan vroeger. QR-codes bijvoorbeeld. Elke band werd geacht een tijdje bij de ingang van The Basement QR-codes te controleren. Dit stuitte Paul moreel tegen de borst, dus liet hij dit over aan Arina en Joost. Hij kwam wel even kijken en ouwehoeren met Peter van Wayl. Toen hij net bij de friet etende Joost en Arina was komen staan kwamen drie jongens met lichtblond Hanson-haar en lange regenjassen naar de entreetafel. Paul blafte het drietal ‘Ausweiss bitte!’ toe, wat de langharigen als schuwe hinden deed opschrikken en meteen rechtsomkeert deed maken. Peter haalde zijn schouders op en zei: “Tja, Zweden…” “Waarom gingen ze nou weg?” vroeg Paul. “Ik dacht dat ik nog aardig beleefd was met mijn ‘bitte’…”

De avond werd tot een hoogtepunt gebracht door Wayl. Met het gemak van een punkband die inderdaad al tien jaar samen was speelden ze de meest razendsnelle nummers. Tijdens de uitsmijters nodigde het trio iedereen uit op het podium. De enige die daarbij zijn evenwicht niet kon bewaren was Paul, die één keer bijna gitarist Christian van het podium stootte en een andere keer achterover in het drumstel van de immer stoïcijns glimlachende Sonni viel, die altijd de snelste ritmes speelde zonder dat die glimlach van zijn smoel verdween. Paul had Sonni eens gevraagd: “Hoe doe je dat nou, zo snel spelen met je rechterhand, waarbij elke slag ook nog eens even hard klinkt?” “Ik beweeg mijn pols en doe ook wat met de vingers”, zei Sonni glimlachend. “Aha, de pols bewegen en de vingers gebruiken! Dat ik daar niet aan gedacht heb”, sneerde Paul. “De schellen zijn me van de ogen gevallen.”

Bij Lasse in de lift

Zwerven door nachtelijk Kopenhagen

Toen het tijd was om op te krassen, bleek Paul zijn jas kwijt te zijn. Zulke dingen gebeuren vaker als je dronken bent. Je begrijpt echt totaal niet meer waar je jas gebleven kan zijn en je kunt met de beste wil ter wereld ook niet meer je stappen nagaan, omdat de herinneringen in die toestand meteen gewist worden zodra ze gemaakt worden. Paul vond zijn jas uiteindelijk aan de kapstok, maar kwam er buiten achter dat dit totaal zijn jas niet was. Dan inderdaad maar zonder naar buiten. “Die halen we morgen wel op”, zei Quirijn. “Welja”, zei Paul. “Oké dan.” Later bleek dat hij zijn jas in zijn drumtas had gepropt.

Volgens onze gastheer Lasse was het erg simpel om bij onze slaapplek te komen. Ongeveer 700 meter van de venue zou een bushalte zijn en die bus zou recht voor de deur van de slaapplek stoppen. Arina: “Joost, jij weet dus waar de bus vertrekt?” Joost: “Zeker!” Wat volgde was een helse wandeltocht waarbij het hengsel van Pauls bekkentas losschoot en hij deze loeizware, een zeer onhandig formaat hebbende tas half onder zijn arm moest meenemen. We bleven maar wandelen in de hoop dat we die legendarische bushalte een keer tegen zouden komen. Toen we eindelijk een bushalte zagen, bleken we al bij het centraal station van Kopenhagen gearriveerd te zijn. Dit was voor Quirijn de druppel: “Godver, we bellen een taxi.”


Joost en zijn slaapmaatje de wurgslang. Ze konden het goed vinden, al vonden we wel dat er aan de gelaatsuitdrukking van de slang bar weinig emotie was af te lezen.

Lasse is een erg aardige figuur om zomaar een stel wildvreemden in zijn appartement te laten slapen. Quirijn, Arina en Paul sliepen in de kinderkamer, terwijl Joost de gehele woonkamer voor zichzelf had omdat hij zodanig snurkt dat je regelmatig in de verleiding komt zijn adem te laten stokken – bijvoorbeeld door liefdevol een zacht kussen op zijn gezicht te drukken. Helemaal alleen was hij ook weer niet: hij deelde de woonkamer met een wurgslang. We leerden van Lasse dat de slang een reguliere poep legde, die lichtbruin was en een minder reguliere poep, die wit was. Die laatste bestond uit botjes en andere onverteerbare zaken. “Wat heb je geleerd tijdens deze tour, zullen mensen me vragen”, zei Joost, zijn wijsvinger opstekend. “Een slang kakt in twee soorten.” Lasse legde vervolgens uit dat de slang twee levende ratten per maand eet, die hij gedurende een paar dagen verteert met een ratvormige bobbel in zijn slangenlijf. En dat de slang naast je komt liggen als je op de grond gaat liggen. Niet voor de gezelligheid, maar om je op te meten teneinde te bepalen of je een prooi bent of dat hij dat maar moet laten zitten. Daarom kun je hem ook gewoon om je nek doen, hij wurgt je niet omdat je een te grote prooi bent.

“Maar heb je op een gegeven moment niet dat hij gehecht aan je gaat raken?” vroeg Paul “Dat hij je met van die warme tsjoekie-ogen gaat aankijken?” “Nee, aanhankelijkheid bestaat niet in het reptielenbrein”, wist Lasse.

Deze prop zeewier zou nog dagenlang in Quirijns auto blijven liggen.

Zeewier

De volgende dag viel het eigenlijk nog best mee met de brakheid. Alleen vreesde Paul wel dat hij het die dag zwaar zou krijgen omdat hij bijna nooit meer dronk en totaal niks meer gewend was. Net buiten Kopenhagen viel hij al in slaap. Hij werd wakker op de parkeerplaats waar ze tijdens de vorige toer ook waren gestopt: een aan zee grenzende parkeerplaats net na de brug tussen Sjælland en het eiland van Odense. Arina en Paul mochten van Quirijn en Joost niet lang wegblijven omdat ze volgens deze zuurpruimen te veel tankstationavonturen wilden beleven, dus gingen ze er onder het mom van ‘we moeten plassen’ er als een haas vandoor en vluchtten ze over de akkers naar de zee. Paul pakte een prop zeewier van het strand en Arina staarde naar de einder alsof ze wachtte op een geliefde die nooit teruggekeerd was van de woeste baren. Maar toen ze weer op de plaats van de auto waren, bleek deze er helemaal niet meer te zijn! Zou de maat vol zijn voor Quirijn en zouden ze gewoon weg zijn gereden om Paul en Arina een lesje te leren? Maar nee, ze waren naar het restaurant gereden om koffie te halen.

Gewoonlijk tijdens toeren knoeiden de achterbankzitters, ‘achterbankgeneratie’ volgens Arina, de auto meestal helemaal onder. Na afloop kon Joost of Quirijn mopperend de Pomberen en borrelnootjes uit de matten krabben. Dat viel deze tour wel mee. Maar ongeveer twee dagen nadat we weer thuis waren gekomen deelde Quirijn het volgende mede: “Nieuwe regel in Ink Bomb-land: verboden zeewier mee te nemen in de auto. Ik had de hele auto schoongemaakt en opgeruimd maar mijn vrouw zei: heb je echt schoongemaakt? Het ruikt nog steeds heel muf! Vond ik ineens een hele prop zeewier bij de achterbank! Het is al godgeklaagd dat ik deze regel überhaupt moet invoeren!” Inderdaad had Paul zowel deze als vorige keer zeewier gepakt en in de auto achtergelaten.

Bij Joost heeft Arina meer succes met de kikkeroefening. Of Joost hierdoor ook minder last kreeg van restless legs zijn we niet te weten gekomen.

De kikkeroefening

Paul bleef maar in slaap vallen. Op deze manier miste hij veel van de doldwaze belevenissen die de niet-brakke Paul in een parallel universum tijdens deze terugtocht beleefde. Rond Hamburg ontwaakte Paul weer toen ze juist weer een stop maakten. Quirijn, bij een door dennenbomen omfloerste vakwerkboerderij op de parkeerplaats: “Als ze hier geen appeltaart verkopen, weet ik het ook niet meer.” Maar binnen was nergens appeltaart of Apfelstrudel te bekennen. Het was gewoon een typisch keten-wegrestaurant met lopend buffet.

Arina deed tijdens elke stop de zogeheten ‘kikkeroefening’. De oefening bestond eruit dat je met je benen een stukje uit elkaar en de armen recht uitgestoken een aantal keer goed hurkte. Deze idiote exercitie zou er volgens Paul voor zorgen dat je ‘restless legs’ verdwenen. Of de kikkeroefening echt iets deed tegen rusteloze benen onderweg was de vraag, maar het zorgde er wel vaak voor dat Arina onbedaarlijk de slappe lach kreeg. Het leuke aan Arina is dat ze de hebbelijkheid heeft om een grap te maken en daar vervolgens meerdere minuten de slappe lach over krijgt terwijl de rest van de band onverschillig toekijkt of meewarig glimlacht.

Kots

Toen we voorbij Bremen waren begon Paul zich misselijk te voelen. “Het is niet te geloven jongens, maar ik moet echt kotsen!” Paul wilde voorkomen dat hij in plaats van naar buiten – zoals hij eens in een anekdote had gehoord – in de deur zou kotsen, waarbij er elke keer bij het omhoog draaien van het raampje een sliert kots mee omhoog zou komen. Daarom stak hij zijn kop ver uit het raam van de 140 kilometer per uur over de snelweg zoevende auto. Het braaksel sloeg bijna meteen terug en kwam vooral op de kont van de auto terecht. Toen Paul dit voor de vijfde keer deed vond Quirijn het toch een beetje sneu dat Paul steeds zijn kop uit het raam moest steken. Daarnaast was hij bang dat het maagzuur de lak van zijn auto oploste. “Paul, pak mijn etenszak maar. Gooi wel effe de bolletjes eruit.” Na aanvankelijk tegenstribbelen – ‘ben je gek, ik kots wel met mijn kop uit het raam’ – kotste Paul comfortabel in de Coop-tas van Quirijn. Daarna legde hij zijn hoofd vredig te rusten op de tassen tegen Arina. “Kan er misschien een raampje open?” zei deze lachend. “Het geurt hier naar lichaamssappen.”

Paul kotste netjes uit het raam op de kont van de auto.

Wat volgde was een autorit waarbij we lekker muziek luisterden, af en toe onderbroken door Paul die een nieuwe kotssessie aankondigde. In Nederland aangekomen probeerde Arina Paul toch wat te laten eten. Deze had daar totaal geen goesting in. “Wil je dan misschien een wortel?” vroeg ze. “Misschien brengt die wortel wat vrolijke kleur in je kots.” “Ja, een wortel gaat vast wel.” Paul at de wortel op en braakte deze een half uur later weer uit in de plastic zak die Quirijn hem had verstrekt. Mooi oranje inderdaad.

Eindelijk passeerden we de Nederlandse grens. Ook al ben je nog zo kort in het buitenland geweest, toch is het altijd een vreemde gewaarwording om de Nederlandse wegborden weer te zien. Ze zien er zo keurig en knus uit met dat vrolijke blauw en die aandoenlijke belettering. Een van de eerste bewegwijzeringsborden die we tegenkwamen was er een die het Oost-Twentse Oldenzaal aankondigde. Omdat we het over het boeken van optredens hadden stelden we de vraag: zou er ook een zaal zijn in Oldenzaal? Arina: “Er is vast wel een zaal. Alleen wel een hele oude!” Ba-da-bam!

Aangekomen in het vertrouwde Nijmegen ging Paul meteen onder zeil. Het was weer een gedenkwaardige tour geweest. Maar de echte afsluiting kwam pas een week later, toen we samen met de Amerikaanse indiepunkband Kali Masi optraden in de Willemeen in Arnhem. Een zitconcert, wat ons deed beseffen dat de winterlockdown echt weer van start ging. Bij Arina kwam nu pas de realisatie dat ons zeer korte tourseizoen nu alweer abrupt tot een eind kwam. “Ik voel me melancholisch”, zei Arina op de veel te vroege terugweg naar huis. “Is dit echt de laatste keer?”

Hopelijk niet Arina. Op 11 december spelen we op de Booze Cruise in Hamburg. Dat gaat vast wel door!

Vast

Wel.

Hou moed, iedereen.

(Booze Cruise werd afgelast.)

(c) Paul van de Geijn